Aanleg plantsoen, eind 19e – begin 20e eeuw

In de loop van de 19e eeuw breidde de stadsbevolking zich uit, vooral onder de minder draagkrachtigen. De wallen omsloten een stad die overvol raakte. Overal in Nederland besloten gemeentebesturen kort na de totstandkoming van de Vestingwet tot het slechten van de stadswallen en de daarin aanwezige stadspoorten, die steeds meer als verkeersobstakels voor het toenemende verkeer werden ervaren. De vrijkomende gronden en grachten bestemde men voor stadsuitbreiding: huizenbouw, gevangenis, ziekenhuis, universiteitsgebouwen en zelfs begraafplaatsen. In een aantal steden waaronder Haarlem, Zaltbommel, Utrecht, Maastricht en Groningen kreeg een deel van de voormalige vestingwerken de bestemming plantsoen.

 

Kaartje Vestingwerken vóor aanleg plantsoen (1876)

 

In 1887 besloot de gemeente Groningen voor f 60.000,- de bolwerken tussen het Reitdiep en het Boterdiep aan te kopen van het Rijk. Eerst was het plan, in verband met de bloeiende houthandel, houtvlotten in de grachten te bergen. Weer later besloot het gemeentebestuur op voorstel van de Haagse bouwkundige Bert Brouwer, die een plan van uitleg voor de stad had gemaakt, de aangekochte gronden te bestemmen tot plantsoen: het Noorderplantsoen , toen ook wel Noorderpark genoemd.

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload

Bijgewerkt op 27 maart 2019